Inleiding

Kort voor de oorlog kreeg Lex Horn zijn eerste grote opdrachten. Daarna kwamen zijn werk en zijn ontwikkeling noodgedwongen tot stilstand. Direct na de bezetting werden hij – en negen andere anti-nazistische schilders – door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit uitgenodigd om elk een wandschildering te maken van ongeveer honderd m². Dat leek het nieuwe artistieke begin te zijn waarop hij hoopte, maar dat was het niet. Hij had een paar jaar nodig om de oorlogsjaren van zich af te schudden en nieuwe wegen in te slaan.

Tijdens een verblijf van bijna drie jaar in Frankrijk herstelde Horn zich. Hij ging opnieuw schilderen, keerde in 1948 terug naar Nederland en kreeg datzelfde jaar al een serie sterk uiteenlopende opdrachten voor monumentaal werk. De wederopbouwtijd was aangebroken en er was behoefte aan veelzijdige kunstenaars. Grote formaten en experimenteren met zeer verschillende materialen spraken Horn aan, maar de beperkingen van het monumentaal werken waren de bouwvoorschriften en de eisen en wensen van opdrachtgevers, terwijl een goede verstandhouding met architecten de kracht van het kunstwerk en het gebouw ten goede kwam. Hij voerde in ongeveer twintig jaar tijd ruim honderdveertig opdrachten uit, waarvan zowat de helft is vernietigd door onkunde en onderwaardering voor de naoorlogse periode die bekend staat als de wederopbouw.

Horn bleef het werk in opdracht altijd combineren met zijn vrije werk, want in de rust van zijn atelier bleef hij al schilderend en schetsend steeds nieuwe wegen vinden om zijn gedachten en gevoelens tot uitdrukking te brengen, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan iemand anders dan zichzelf.

Hier volgt een selectie van het vrije werk en het werk in opdracht. De voorbeelden geven een beeld van Horns ontwikkeling waarin hij tot een hoge mate van abstractie kwam met een vage herinnering aan het oude landschap waarmee hij zijn carrière begon.