Biografie

pastedGraphic.png

Lex Horn (Nijmegen 1916 – Vannes 1968) werd geboren in een gezin dat niets wist van beeldende kunst, maar zijn ouders begrepen heel snel dat hun zoon een uitzonderlijk talent had. Hij tekende vanaf het moment dat hij een potlood vast kon houden en bereikte al rond zijn vijftiende een artistieke top in het zeer natuurgetrouw weergeven van paarden, schepen of gebouwen. Zijn karikaturen van militairen en dorre ambtenaren, waren treffend. Aan het einde van zijn schooltijd zag hij een toekomst voor zich als cartoonist/illustrator, omdat hij nog geen weet had van andere mogelijkheden.

Toch voelde hij behoefte om zijn blik te verruimen en ging hij buiten tekenen. Daar merkte hij hoe moeilijk het was om velden vol kool, bomen in het blad of het stromende water van een rivier net zo goed weer te geven als een paard of een dubbeldekker. Hij ging begrijpen dat het weergeven van ‘de werkelijkheid’ persoonlijke uitdrukkingsvaardigheid vereiste, maar wist nog niet hoe hij die vorm moest geven.

Bij zijn toelating tot de Rijksakademie in 1934 had hij slechts eenmaal een museum bezocht. Hij verhuisde vanuit Zutphen naar Amsterdam, werd ondergedompeld in een nieuwe wereld en bezocht de ene na de andere tentoonstelling, vaak op advies van medestudenten:

Men wees me op het Stedelijk Museum toen er een Chagalltentoonstelling was. Ik vond Van Gogh al onbegrijpelijk, bij Chagall stond ik met open mond.

De kleine burgerjongen, zoals hij zichzelf beschreef, studeerde, las honderden boeken, leerde composities maken, schilderen, ontwerpen, de ‘werkelijkheid’ op eigen wijze weergeven en zijn emoties uitdrukken. Heinrich Campendonk, zijn belangrijkste docent, liet hem kennis maken met de monumentale kunst waarin hij zich ten volle zou ontplooien. In 1939 kreeg hij zijn eerste drie opdrachten: een grote achterglasschildering en twee wandschilderingen.

Horn ontwikkelde zich van een expressief-figuratief naar een overwegend non-figuratief werkende kunstenaar en werd een van de prominenten van zijn tijd. Zijn carrière begon echter niet meteen nadat hij zijn studie had beëindigd, maar pas acht jaar later. De bezetting dwong Horn tot volledige artistieke stilstand vanwege zijn Joodse achtergrond. Om de lange oorlogsperiode door te komen en te overleven in permanente angst moest hij zich terugtrekken uit het openbare leven, binnen blijven en uiteindelijk onderduiken. Hij zag vrienden en familieleden wegvoeren, ging documenten vervalsen, bood onderdak aan mensen op de vlucht, maar had geen enkele mogelijkheid om te schilderen.

Na de bevrijding werd Horn met negen andere kunstenaars door de Grote Advies Commissie der Illegaliteit en het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgenodigd om een gigantische klus uit te voeren. Elk van de deelnemers moest een wandschildering van circa honderd vierkante meter maken voor de reizende tentoonstelling Weerbare democratie. Hoewel hij ziek was en zwaar ondervoed accepteerde Horn de opdracht.

Hij had gehoopt de oorlog achter zich te kunnen laten en alsnog los te kunnen barsten, maar dat liet zijn conditie niet toe. Ondanks alle opgepotte ideeën over een eigen invulling van de moderne kunstbeoefening, kwam er niets uit zijn vingers. Hij bleek terug te moeten naar het moment waarop zijn ontwikkeling abrupt was afgebroken door de bezetting. Om zich teweer te stellen tegen die teleurstelling vertrok hij naar Frankrijk waar hij zichzelf in het schilderen wist te hervinden. In 1948 vestigde hij zich definitief in Amsterdam, waar hij zijn ‘vrije’ werk voortzette en tot zijn dood in 1968 wist te combineren met vele opdrachten voor monumentaal werk.

Horn was zich zeer goed bewust van de positie van een monumentalist. Voldoen aan de eisen van opdrachtgevers en architecten betekende concessies doen, maar zodra hij de ruimte kreeg om zijn overtuiging te volgen, kwam hij vaak tot indrukwekkend moderne werken.

Hij werkte voor vooraanstaande architecten, verdiepte zich in hun denkwijze en onderscheidde drie groepen. De ‘natuurlijke vijanden van de monumentale kunst’ die elke samenwerking afwezen; de overgrote meerderheid die geen enkele belangstelling had voor beeldende kunst ‘net als de meerderheid van het Nederlandse volk’, en een bijzonder kleine groep die werkelijk geïnteresseerd was en in een vroeg stadium samen met de kunstenaar zocht naar een optimale samenhang van gebouw en kunstwerk. Met hen werkte hij bij voorkeur samen.

Kunstenaars waren in artistieke zin afhankelijk van opdrachtgever en architect, maar ook in technische zin (welke materialen zijn beschikbaar, betaalbaar en passend in het gebouw?) en financieel (hoe worden prijzen berekend en hoe worden die gestandaardiseerd?). Om de positie van monumentalisten te versterken, hun belangen te behartigen en landelijk geldende prijsafspraken te maken, richtte Horn met enkele anderen in 1952 de Vereniging van Beoefenaars der Monumentale Kunsten op. Bovendien zou hij zijn toegenomen naamsbekendheid en zijn gezag onder vakgenoten en architecten steeds vaker inzetten door deel te nemen aan overlegorganen en kunstadviescommissies van overheden waarin hij streefde naar heldere besluitvorming vanwege het niet te definiëren begrip ‘kunst’.

Ondanks al die extra activiteiten was Horn een van de meest productieve kunstenaars van zijn tijd. In de vruchtbare periode van 1948 tot 1968 maakte hij honderden tekeningen, tientallen schilderijen, een niet te achterhalen aantal schetsen en voorontwerpen en een kleine honderdvijftig monumentale kunstwerken, waaronder wandschilderingen, wandtapijten, verschillende vormen van glaskunst, sgraffiti, mozaïeken en intarsia’s. Bovendien voerde hij niet-monumentaal werk in opdracht uit, zoals postzegels en ontwerpen voor bankbiljetten.

Hij overleed op 52-jarige leeftijd aan een hartstilstand.