Lex Horn begon in 1934 aan zijn opleiding aan de Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam. Hij leerde wat compositie was, ging werken met kleur, begreep dat er vele interpretaties van ‘de werkelijkheid’ zijn en begon aan de zoektocht naar een eigen manier om zich uit te drukken. In de laatste periode aan de akademie, onder Heinrich Campendonk, maakte hij kennis met de monumentale kunst.
Kort voor de oorlog voerde Horn zijn eerste grote opdrachten uit. Daarna kwamen zijn werk en zijn ontwikkeling noodgedwongen tot stilstand. Direct na de bevrijding werden hij – en negen andere antinazistische kunstenaars – door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit uitgenodigd om elk een wandschildering te maken van ongeveer 100m2. Dat leek het nieuwe artistieke begin te worden waarnaar hij vurig verlangde, maar dat was het niet. Hij had een paar jaar nodig om de oorlogsjaren van zich af te schudden.
Tijdens een verblijf van bijna drie jaar in Frankrijk herstelde Horn zich. Hij ging opnieuw schilderen, keerde in 1948 terug naar Nederland en kreeg datzelfde jaar al een serie opdrachten voor sterk uiteenlopend monumentaal werk. De wederopbouwtijd was aangebroken en er was grote behoefte aan jonge, veelzijdige kunstenaars. De grote formaten en de kans om te experimenteren spraken Horn aan, maar vooral dat hij met kunstwerken in de openbare ruimte een groot publiek kon bereiken. Er was ook een keerzijde, zoals hij schreef: ‘Het aanvaarden van een opdracht betekent het aanvaarden van beperkingen’. Artistieke vrijheid werd ingedamd door bouwvoorschriften en de wensen van opdrachtgevers.
Horn bleef het werk in opdracht altijd combineren met zijn vrije werk, want in de rust van zijn atelier hoefde hij alleen verantwoording af te leggen aan zichzelf. Daar bleef hij al schilderend en schetsend steeds nieuwe wegen vinden om zijn gedachten en gevoelens tot uiting te brengen. Stijlveranderingen die zich voltrokken op papier of doek werden vaak ook zichtbaar in het monumentale werk. Zijn oeuvre werd steeds persoonlijker en zijn stijl evolueerde in een twintigtal jaren van een expressief figuratieve naar een vrijwel geheel abstracte.
Horns werk is in te delen in drie groepen: het vrije werk (tekenen en schilderen), het monumentale werk, en het niet-monumentale werk in opdracht. Van elk van deze categorieën worden voorbeelden gegeven.academie
